ATAL: Beter monitoren van comfortcondities in serverruimtes en datacenters loont

ATAL uit Purmerend levert al bijna 25 jaar sensoren en meetoplossingen. De producten worden ook toegepast in serverruimtes en datacenters. Directeur Marcel Dix en commercieel manager Ronald Stuvel leggen uit waarom dergelijke systemen zo belangrijk zijn.

Monitoring is de core van de ATAL business. Daarvoor heeft het bedrijf eigen producten en voert het merken van derden. De productiefaciliteiten zitten onder andere in Tsjechië. Men focust op de Benelux, wat goed is voor 80 procent van de omzet. Die omzet bestaat uit verkoop en onderhoud. Dix: “We zijn een verkooporganisatie die werkt met partners maar ook directe verkoop kent. Het type product dat we leveren vergt wel onderhoud. Daarom is service een vast bestandsdeel van ons portfolio. We beschikken over een eigen kalibratieruimte voor de systemen en kunnen naast onze eigen producten die van derden servicen.”

‘Wij richten ons voor de datacenters en serverruimtes op de comfort condities’

Gebruik door datacenters en serverruimtes Sensoren en meetoplossingen worden in veel sectoren toegepast, ook in datacenters en voor serverruimtes. Dix: “Tussen die twee zien we verschillen en overeenkomsten. De overeenkomsten zijn dat in beide gevallen een technische en operationele noodzaak aanwezig is om de in die ruimtes aanwezige hardware goed te laten functioneren. Wij richten ons daarbij primair op wat we noemen de comfortcondities: dat zijn temperatuur, luchtvochtigheid, atmosferische druk en drukverschil. Maar ook voor trilling- en waterdetectie, rook en registratie van deurcontacten heeft ATAL praktische oplossingen in huis. Als je die monitort kun je de continuïteit waarborgen. In het geval van een serverruimte is dat voor de eigen organisatie van belang. Bij een datacenter geldt dat het niet alleen voor de exploitant, maar ook voor de huurders van de rackruimte van essentieel belang is.”

Er zijn ook verschillen tussen de twee. Stuvel merkt op dat de omvang van de ruimtes en de plek in de organisatie wel wat uitmaakt. “Je ziet vaak dat in de kleinere serverruimtes van dito organisaties een algemeen facilitaire dienst of de technische beheerder op de condities moet letten en het er als taak bij heeft. In datacenters zijn het veelal specialisten, die ook vanwege de klantwensen vastgelegd in contracten en SLA’s veel meer moeten meten en weten.”

Dix haakt daar op in: “Een aardig voorbeeld van het verschil tussen de twee klantgroepen zien we ook bij het kalibreren. Onze apparatuur is in de regel gekalibreerd en voorzien van een testrapport. Voorheen waren het bijna uitsluitend de raadgevend ingenieursbureaus en vergelijkbare specialisten die om die rapporten vroegen. We krijgen de laatste tijd ook meer vragen van de verantwoordelijken bij datacenters. Je ziet dat het daar begint door te dringen dat ze niet alleen willen meten, maar vooral ook willen weten hoe nauwkeurig ze meten. Zo ver zijn de meeste beheerders van serverruimtes nog niet.”

Data genereren, niet interpreteren

Verschillen zijn er ook tussen de verschillende klantgroepen die ATAL bedient als wordt gekeken naar de meetdata die wordt vergaard. Dix zegt dat de IT-sector de voorkeur heeft voor het zelf opslaan en verwerken van de meetdata. Dat doet men dan door de outputprotocollen te integreren met de eigen beheersoftware. Andere klanten waarbij IT niet de corebusiness is, geven er eerder de voorkeur aan de data in het ATAL cloudportal ‘OnlineSensor.nl’ onder te brengen, zodat zij 24/7 de data kunnen inzien.

‘ATAL merkt dat met name bij de datacenters de ontwikkelingen zeer snel gaan’

ATAL biedt de cloudservice, maar houdt zich nadrukkelijk niet met de klantdata bezig. Dix: “Wij zorgen voor het genereren van data en het visualiseren, we adviseren klanten ook over de juiste omgang ermee, maar interpreteren valt nadrukkelijk buiten onze scope. Onze corebusiness is het aanleveren van de meetdata.”

IoT oplossingen versus ethernet

ATAL heeft een groeiend aantal IoT-oplossingen voor uitlopende sectoren. Het IoT-portfolio bestaat naast het bestaande op ethernet gebaseerde aanbod van meetoplossingen. “Voor serverruimtes en datacenters zijn 99 procent van de door ons geleverde oplossingen met ethernet-connectiviteit (met voeding of op PoE gebaseerd)”, legt Dix uit. “Daar is een simpele verklaring voor: het moet fail safe zijn en de data moet makkelijk uit te lezen zijn. Alles met ethernet is robuust en op bekende manieren uit te lezen. Daarom is er vooralsnog in het ATAL-assortiment nog geen speciale IoT-oplossing voor deze doelgroep.” Stuvel wijst nog op een praktische bijkomstigheid: bijna alles in een serverruimte is ethernet dus waarom zou een beheerder daarvan afwijken, helemaal voor iets essentieels als monitoring en controlemiddelen. “Ik kan me overigens wel scenario’s voorstellen waarbij iets als persoonsvolgsystemen als los IoT-systeem in een datacenter of serverruimte toegepast gaat worden. Maar dan is het de uitbreiding van een toepassing die al elders wordt ingezet. Maar wie weet zie ik een logische toepassing over het hoofd.”

Kennis uitwisselen

Met die laatste zin stipt Stuvel een onderwerp aan waar Dix nog bij stil wil staan: het begrijpen van de markt. “Wij hebben regelmatig contact met onze partners en klanten waar we rechtstreeks aan leveren. Zo horen we wat er leeft en welke nieuwe inzetgebieden of toepassingen zij overwegen. Dat is voor ons heel zinvolle informatie, waardoor we ons portfolio weer beter op de marktvraag kunnen laten aansluiten.” ATAL merkt dat met name bij de datacenters de ontwikkelingen zeer snel gaan. Stuvel: “Wie weet zitten daar wensen die we nog niet kennen en waar we op kunnen inspelen. Wat dat betreft nodig ik de lezers van harte uit contact met ons op te nemen.”

Aan het eind van het gesprek wijst Dix naar buiten, waar ten tijde van het interview tropische temperaturen heersen. “We merken dat comfortcondities van serverruimtes met dit weer in de knel komen. We zien na elk weekend de meldingen over storingen, omdat dan twee dagen achtereen de ruimte niet manueel gecontroleerd wordt en sensoren om dat te doen ontbreken. Ik zou echt alle beheerders van dergelijke ruimtes willen meegeven dat met een investering van een paar honderd euro dat leed is te voorkomen en het hart van een bedrijf, namelijk de data, beter is beveiligd”.

Stuvel: “Datacenters zijn wat dat betreft al een stap verder. Ze zullen ook wel moeten, want het gaat op de data van klanten. Maar ook daar is nog wel verbetering mogelijk. Die groep zou ik willen meegeven dat ze niet overal invloed op kunnen uitoefenen. Maar als ze hun klanten inzichtelijk kunnen maken hoe ze de punten waar ze wel invloed op hebben in de gaten houden heeft dat de klant zekerheid. Zekerheid dat zijn data, zijn goud bij jou in goede handen is. Ook daarom is goed monitoren zo belangrijk en zijn goede meetoplossingen onmisbaar.”

[Dit artikel is eerder gepubliceerd in het Datacenter & Cloud Dossier 2018 van ChannelConnect]

Lees het artikel hier in PDF